Home Our Cats Available Shows About Cats About Us Links Diverse Contact

Een beetje basiskennis om diverse publicaties beter te kunnen begrijpen.

De huidige kennis van de erfelijkheid is gebaseerd op wat monnik Johann Gregor Mendel rond het midden van de vorige eeuw verwierf uit het kruisen van diverse planten.


Wij gaan hier in op de erfelijkheid van de kat.


Het is echter belangrijk te onthouden dat bij de ontwikkeling van zowel de eicel als de zaadcel uit de geslachtscellen van respectievelijk eierstok en zaadballen het aantal in de celkern aanwezige chromosomen wordt gehalveerd.


In elke lichaamscel van de kat bevinden zich dus 38 chromosomen (bij de hond 78, bij de mens 46).

Deze chromosomen vormen 19 identieke paren, met uitzondering van het hierna te beschrijven chromosomenpaar, nl. dat van de geslachtschromosomen.

Het volledige ‘bouwpakket’ van de kat ligt besloten in de erfelijke factoren (genen, erfelijke eigenschappen) die zich bevinden op de

chromosomen, t.w. identiek op elk van een paar.


Door de samensmelting van de zaadcel en de eicel (bevruchting) wordt opnieuw een dubbel aantal chromosomen

(38 oftewel 19 paar) in de lichaamscellen van de volgende generatie (F 1-generatie) gevormd.

Of het nieuwe wezen op de vader of op de moeder gaat lijken hangt af van de eigenschappen van de betrokken genen

(men noemt deze parallel aanwezige genen ‘allelen’ of ‘allele genen’).

Deze genen werken als een schakelmechanisme.

Een gen kan de werking van een overeenkomstig werkend gen onderdrukken.


De eigenschap die overheerst wordt ‘dominant’ genoemd; de eigenschap die wordt onderdrukt noemt men ‘recessief’.

Wanneer zich later in het lichaam van de kat kiemcellen vormen en het dubbele chromosomenpaar daartoe wordt gehalveerd, is het puur toeval welk van de 19 chromosomen van elke kiemcel door de vader of door de moeder wordt aangedragen.

Er wordt dus opnieuw een menging van de erfelijke eigenschappen van de ouders gevormd.

Vrouwelijke zoogdieren beschikken over twee gelijkvormige geslachts- of X- chromosomen het mannelijk geslacht wordt

gevormd door een X- en een (kleiner, anders gevormd) Y- chromosoom.


Op alle chromosomen liggen de erfelijke eigenschappen in rijen gerangschikt.

Of hun werking later aan het licht treedt hangt mede af van de omgeving waarin het dier opgroeit.

Zo kan bijvoorbeeld de aanleg van een kat om een goede muizenvanger te worden zich slechts dan ontwikkelen wanneer er

ook gelegenheid is voor het dier om muizen te vangen.


Hieruit volgt dat het uiterlijk (fenotype) van een individu ontstaat uit het samenspel van erfelijke eigenschappen (genotype) en

de omgeving waarin het individu zich bevindt . ‘Mutaties’ zijn dusdanige veranderingen in het erfelijk materiaal, dat nieuwe,

van het gebruikelijke afwijkende eigenschappen mogelijk worden.

Symboliek der genetica


In de symboliek der genetica worden de dominante eigenschappen weergegeven met een hoofdletter. Is een kat fokzuiver (homozygoot) voor zo'n dominante eigenschap, dat wil zeggen dat de eigenschappen als allele genen een paar vormen, dan komt dit ook in de symboliek tot uitdrukking, bijvoorbeeld A/A.

Als één dominant gen voldoende is om zich in het uiterlijk te manifesteren of zijn beide allele genen verschillend (fok­onzuiver oftewel heterozygoot), bijvoorbeeld A/a, dan plaatst men dikwijls in plaats van de tweede allele eenvoudig een streepje: bijvoorbeeld A/-.


Recessieve genen worden met een kleine letter aangeduid en manifesteren zich slechts wanneer een dier fokzuiver is voor deze eigenschappen.

Aangezien niet gemuteerde normale genen van de oorspronkelijke wilde vormen der kat (de Felis silvestris soorten) dominant of recessief kunnen zijn plaatst men in de symboliek een plusje (+), om deze van de gemuteerde genen te onderscheiden (bijvoorbeeld A+ of t+).


Het symbool voor een gen is meestal de beginletter van het woord wat de door het gen veroorzaakte eigenschap weergeeft (uit het Engelse spraakgebruik,

bijvoorbeeld t+ = tabby).


De werking van de dominante genen kan van generatie naar generatie worden waargenomen, de recessieve allelen lijken bij oppervlakkige beschouwing dikwijls generaties over te slaan.

Wat het meest bij de kat opvalt naast de voor de verschillende rassen specifieke lichaamsbouw en verschil in vachtstructuur (bijvoorbeeld haarlengte) zijn de voor alle rassen gelijke kleuren en vachtpatronen.


Een veelvoud van verschillende erfelijke eigenschappen zorgt voor het ontstaan daarvan.

De verschillende kleuren die men aan een kat kan waarnemen, of het nu om huid, vacht of oogkleur gaat, worden door breking van het licht in pigmentdeeltjes veroorzaakt.

Het basispigment heet melanine, en komt voor in twee varianten; de donkere zwartachtige kleuren worden veroorzaakt door eumelanine, de lichtere roodachtige kleuren door phaeomelanine.

De oorzaken van het ontstaan van mutaties zijn veelal onbekend.

Zijn verschillende mutaties van één bepaalde eigenschap bekend, dan noemt met dat ‘multipele allelen’  (behorend tot een serie).

Het deel van het erfelijk pakket dat van één van de ouders afkomstig is zal altijd slechts één van de verschillende mogelijkheden uit een serie bevatten.


Veel mutaties maken het een organisme mogelijk om zich aan een zich veranderende omgeving aan te passen (bijvoorbeeld resistentie van micro-organismen tegen antibiotica).

De meer voorkomende negatieve veranderingen (verliesmutaties) daarentegen, worden in de regel in de natuurlijke strijd om het bestaan vanzelf uitgeschakeld.


Bij het fokken van huisdieren, waar mutaties dikwijls het uitgangspunt vormen voor nieuwe rassen en variëteiten worden veel negatieve veranderingen (bijvoorbeeld staartloosheid, korte poten) in stand gehouden; andere worden echter door middel van zorgvuldige selectie uitgesloten omdat zij de fokkerij in gevaar kunnen brengen.


Foto: Er kan altijd iets erg fout gaan.

DNA, het molecuul dat de basis vormt van erfelijkheid. DNA heeft de structuur van een dubbele helix. Twee gedraaide ketens van fosfaat- en deoxyribosegroepen vormen de ruggengraat van de structuur, waaraan nucleotiden vastzitten, die met de nucleotiden van de andere keten verbonden zijn als de treden van een wenteltrap.

Een klein deel van een DNA-molecuul. DNA bestaat uit twee ketens van deoxyribose-fosfaat, waaraan vier soorten nucleotiden vastzitten. De nucleotiden van beide ketens vormen waterstofbruggen met elkaar.

Bij de replicatie bewegen de twee strengen van het DNA uit elkaar om te worden gekopieerd.

#Erfelijksleer

Top

Erfelijksleer

Share on Facebook Share via e-mail Print
Back Up

Copyright © Cattery Rijana

Next Privious   Home Down Top